Taalkunde

Fonologie

Bezig houden met:

Taal leren

Om een taal te leren moet je het leren spreken en schrijven Ieder mens word geboren met een aanleg voor het verwerven van een taal. Je kunt een taal spreken door het veel gehoord te hebben.

Verwerven: Iets kunnen door het veel te zien of horen

Om de taal te kunnen schrijven moet je deze leren.

Leren: Door oefening en uitleg iets kunnen

Nederlandse taalklanken

In het nederlands zijn er ongeveer 40 taalklanken en 26 letters. Omdat er meer klanken dan letters zijn, zijn er manieren om met dezelfde letters andere klanken te krijgen:

Klankzuiver: Je schrijft wat je hoord (bijv ‘Maan’)
Klankonzuiver: Je schrijft wat anders dan wat je hoord (bijv ’erg’ als ’errug’)

Als je alle woorden klankzuiver maakt, worden woorden op verschillende plekken (met verschillende dialecten) anders gespelt

Fonetische spelling: Schrijven wat je hoort
Foneem: Een klank van een woord (‘maan’-> m/aa/n )
Etymologische spelling:

Morfologische principe: Het volgen van een regel los van wat je hoort (‘hij wordt’, de stam+t regel wil een t, maar deze maakt voor de klank niets uit)

De e kun je op verschillende manieren uitspreken

Sjwa: /e/ zonder eigenschappen, ‘stomme e’ (bikkel)

Kenmerken van taalklanken

Klank: Geluidstroom die we herkennen als taal
Segment: Stukje van woord met taalklank
Elke taalklank heeft een aantal kenmerken die kunnen uitleggen hoe die taalklank word uitgesproken:

Klinkers zijn Sonant Medeklinkes zijn Consonant

Fonetiek

Bezig houden met:

Om het verschil aan te kunnen geven tussen een letter, een klank en fonetische vorm gebruiken fonetici verschillende haken

De IPA (International Phonetic Alphabet) is een alfabet voor taalklanken voor alle talen over de hele wereld. Zo kun je aan iemand van een andere taal uiteleggen hoe je een nederlands woord uitspreekt.

Foon:

Spraakorganen

Klanken kun je op verschillende manieren maken. Spraakorganan zijn de delen van het lichaam die je gebruikt om alle verschillende klanken te maken. Ook longen en luchtpijp horen bij spraakorganen, omdat deze voor de lucht zorgen.

Fonemen beschrijven

Alle klanken kunnen worden beschreven met een paar kenmerken. Deze kenmerken zijn binair; bijvoorbeeld ‘stembanden trillen’ en ‘kan aangehouden worden’, of gradueel; bijvoorbeeld hoe open je mond is

Binair: Aan of uit, ja of nee, maar 2 opties
Gradueel: Op een spectrum van veel naar weinig

Klinkers

Klinkers zijn Sonant, het een een continue luchtstroom. Je kunt verschillende klinkers met kenmerken beschrijven.

KenmerkAfkortingUitleg
hoog/laagh-m-lDe tong omhoog of omlaag brengen
voor/achterv-c-a???
geronde lippen+/- rondOf je tuiten vormt met je lippen

Medeklinkers

Medeklinkers zijn Consonant, de luchtstroom wordt verspert.
Sonoranten: beperkte hinder, dus een beetje luchtstroom
Obstruenten: grote hinder

Er zijn 3 soorten Sonoranten:

En er zijn 2 soorten Obstuenten:

Je kunt medeklinkers met kenmerken beschrijven.

KenmerkAfkortingUitleg
Nasalen+/- NasaalDe lucht ontsnapt door de neus
Bilabiaal+/- ???Lippen tegen elkaar
Velair+/- VelairTogn tegen achterkand gehemelte (Harde deel)
Dentaal+/-

Klank- en betekenisverschillen

allofonen: Verschil in klank, maar zelfde betekenis
fonemen: Verschil in klank, verschil in betekenis
minimale paren: Woorder waarbij maar 1 klankdeel veranderd
distinctief kenmerk: Het kenmerk dat verschilt tussen de letters die een verschil in bekenis maken